ISBN 978-90-6318-287-8
Roman
Uitgeverij: Novapres
269 pagina's
Prijs €17,95
Recensies


De driejarige Daniël Tywyn heeft een bijzondere band met zijn moeder. Ze begrijpen elkaar zonder woorden en verstaan elkaar in een taal die door hun ogen spreekt.Wanneer Daniëls moeder sterft, besluit zijn vader niet lang daarna te emigreren naar Ierland, het geboorteland van zijn vrouw.
Op dit eiland, waar de kleur groen meer dan duizend nuances kent, groeit Daniël op. Bijzondere ontmoetingen met een mysterieuze man worden onderdeel van zijn leven.
Daniël gaat inzien dat er naast de zichtbare wereld ook een onzichtbare werkelijkheid bestaat.
Dan wordt Daniël datgene ontnomen wat hem het meest nabij staat: een klein meisje van nauwelijks een jaar oud.
Deze meeslepende roman laat zien dat het leven niet alleen een zoektocht hoeft te zijn, maar een ontdekkingsreis kan worden.
Geschreven in beeldende taal neemt deze nieuwe roman van Remmelt Mastebroek je mee naar onbekende en ongekende oorden.
Tussen twee werelden laat zien dat er zo veel meer is tussen hemel en aarde dan wij kunnen horen, zien en voelen.

Tussen twee werelden
is een prachtige, zelfstandig te lezen roman naast Elfenkind.


 

Proloog

1970
Het was stil.
Het zolderraam stond open.
Alleen het zachte fluisteren van de wind die tegen de vijftig meter hoge rotswand achter ons huis voorzichtig zijn adem uitblies en het hoge gras dat er bovenop groeide vluchtig beroerde, was hoorbaar.
Meeuwen krijsten elkaar iets toe, terwijl ze de warme luchtstroom zochten die opsteeg voor het klif.
De voorjaarszon trok een brede zilveren baan over het bijna rimpelloze water in de baai.
Ik moest opstaan, uit bed komen, maar ik wilde niet. Mijn geest was te gespannen. Ik voelde me geradbraakt.
Donkere wolken pakten zich samen in mijn ziel en maakten dat ik tot niets in staat was.

Met mijn ogen nog half dicht strompelde ik even later de trap af en blindelings liep ik naar de badkamer.
Ik draaide de antieke wastafelkraan een stukje open en zag hoe het water wegliep in de waskom waarvan het glazuur gebarsten was.
De koperen sifon was groen uitgeslagen.
De opeengepakte wolken vermenigvuldigden zich tot een dikke zwarte nevel.
Met beide handen hield ik me vast aan de wasbak. Het water stroomde ongebruikt naar de donkerte van het riool.
Mijn leven leek eenzelfde lot beschoren.
Het donkere in mij liet mijn ogen en mijn geest niet langer toe de kleuren die zij anders opmerkten, te ervaren.

Een verdriet, groter dan ik ooit tevoren ervaren had, overmande mij.
Mijn nagels werden wit terwijl mijn handen zich nog krampachtiger vastklemden om de waskom.
Mijn huid scheurde waar hij in aanraking kwam met het gebarsten glazuur.
Ik huilde. Zoute tranen van radeloosheid vermengden zich met het zoete water.
Mijn hoofd was gebogen alsof het woordeloos vertellen wilde dat ik mij gebroken wist.
Ik wilde niet meer verder.
Ik kón niet meer verder.

Als door de bliksem getroffen leek mijn hart het te hebben begeven.
Even later voelde ik een pijnlijk en onregelmatig bonzen in mijn borst dat me deed beseffen dat ik nog moest leven.
De haartjes van mijn armen stonden overeind, terwijl mijn nekharen tegen m’n T-shirt prikten.
De talloze stemmen die elkaar toeschreeuwden in mijn hoofd verstomden.

Een hand rustte op mijn schouder.
De hand drukte zwaar op me, terwijl de warmte ervan door me heen stroomde en mij overweldigde.
Mijn tranen vielen niet langer neer. Alleen het stromen van het water uit de kraan was hoorbaar.
De warmte van de hand was zo intens, dat mijn hele lijf gloeide.
De wind, die ik even daarvoor nog hoorde zuchten tegen de rotsen achter ons huis, was weggevallen. Zweeg, leek niet meer te zijn.
Het verdriet dat mij overmand had, trok zich terug, samen met de nevelflarden die zich in mijn geest genesteld hadden.
Het donkere in mijn geest ebde weg.
De zon moest zijn gaan schijnen.
Iemand moest het licht hebben aangedaan in de badkamer.
Ik wist echter zeker dat ik alleen in huis was.
Mijn ogen, die ik opnieuw gesloten had, durfde ik niet te openen, bang dit moment kapot te maken en bang om te verstoren wat zo fragiel leek.

Langzaam tilde ik mijn hoofd op. Ik keek in de spiegel die boven de waskom hing.
Niets, helemaal niets.
Er was niemand in de badkamer dan ikzelf.
Met mijn linkerhand betastte ik mijn rechterschouder.
Mijn hand ontmoette geen andere hand op de plek waar ik die even daarvoor had gevoeld.
Mijn schouder voelde nog altijd warm aan. Alsof de hand er echt had gelegen.
Ik draaide me om, mezelf er van vergewissend dat er werkelijk niemand in de badkamer was dan alleen ikzelf.

Ik was alleen.